vrijdag 5 februari 2010

Bestemde niet-anonieme bloedtransfusie

Onder bestemde, niet-anonieme bloeddonatie wordt verstaan: bloeddonatie waarbij de identiteit van de ontvanger van de bloedproducten die uit de donatie worden bereid, ten tijde van de donatie aan de donor bekend is. Donor en ontvanger zijn niet dezelfde persoon. In sommige gevallen zal het om familiedonors gaan.

Uit de literatuur is bekend dat bestemde niet-anonieme donaties, bijvoorbeeld van familieleden of kennissen van de ontvanger, een hoger risico op overdracht van infectieziekten hebben vergeleken met donaties van anonieme donors. Daarnaast kleven aan bestemde niet-anonieme donaties een aantal andere bezwaren. De Medische Adviesraad van Sanquin is van mening dat aan bestemde, niet-anonieme donaties in beginsel niet moet worden meegewerkt, tenzij hiervoor in een individueel geval een strikt medische indicatie bestaat:

Indien in dit geval geen compatibele bloedproducten van anonieme donors voorhanden zijn voor:

* patiënten met één of meer irregulaire erytrocytenantistoffen,
* patiënten met HLA-antistoffen,
* patiënten met HPA-antistoffen,
* patiënten met neonatale allo-immuun trombocytopenie,
* patiënten met een IgA-deficiëntie bij wie transfusie van 3 - 6 maal gewassen bloedproducten niet mogelijk is.


Bij een familiaire verwantschap tussen donor en ontvanger, neemt het risico op het ontstaan van graft-versus-host-disease (GVHD) bij de ontvanger toe, en wel meer naarmate de verwantschap nauwer is. HLA-getypeerde bloedproducten en bloedproducten afkomstig van eerste-, tweede- of derdegraads familieleden dienen te worden bestraald.

Over bestemde, niet-anonieme donatie dient altijd overleg plaats te vinden tussen de behandelend arts van het ziekenhuis en de verantwoordelijke arts van de bloedbank.

Autologe bloedtransfusie

Autologe bloedtransfusie, het toedienen van eigen bloed, is op verschillende wijzen mogelijk.

1. Bloed wordt afgenomen of ingezameld direct voorafgaande aan operatie (hemodilutie), of tijdens operatie (m.b.v. Cellsaver). Bij deze vormen van autologe transfusie is de Sanquin Bloedbank niet betrokken.

2. Bloed wordt afgenomen kort voor een electieve operatie / ingreep. Erytrocyten, leukocyten verwijderd, in SAGM kunnen vijf weken worden bewaard. Voor niet spoedeisende operaties/ingrepen kan een patiënt, wanneer zijn gezondheidstoestand dit toelaat en de operatiedatum vaststaat, de weken vóór de operatie twee tot vier eenheden bloed afstaan. Deze eenheden kunnen tijdens of na de operatie toegediend worden. De patiënt moet voldoen aan de meeste criteria voor normale bloeddonors, zodat de bloedafname geen risico oplevert. Het bloed wordt op de gebruikelijke wijze bewerkt, getest op bloedoverdraagbare infectieziekten en bewaard, zodat het bloedproduct geen extra risico’s oplevert in de logistiek van de normale transfusies. Sanquin hanteert hiervoor de Richtlijn ‘Pre-operatieve Autologe Bloeddonatie’. Het aanmelden van een patiënt voor pre-operatieve autologe bloeddonatie geschiedt volgens regionaal gemaakte afspraken. Het bloed wordt uitsluitend gebruikt voor autologe transfusie.

3. Bloed wordt na afname en bewerking diepgevroren (-196 °C) ten behoeve van een mogelijke latere transfusie.

Erytrocyten, leukocyten verwijderd, kunnen met glycerol diepgevroren maanden tot jaren worden bewaard. De methode komt alleen in aanmerking voor personen voor wie geen, of zeer moeilijk passende erytrocyten te vinden zijn, bijvoorbeeld personen met antistoffen tegen een frequent voorkomende bloedgroep (Public antigenen), of met multipele antistoffen tegen erytrocytenbloedgroepen.

4. Autoloog bloed en bestanddelen daarvan moeten duidelijk als zodanig aangemerkt zijn en gescheiden van allogeen bloed en bestanddelen daarvan worden opgeslagen, vervoerd en gedistribueerd (2002/98/EG). Autoloog bloed en bestanddelen daarvan moeten geëtiketteerd zijn overeenkomstig Richtlijn 2002/98/EG; daarnaast moet op het etiket de identificatie van de donor worden vermeld, alsmede de waarschuwing „UITSLUITEND VOOR AUTOLOGE TRANSFUSIE”.

Een transfusie met uw eigen bloed

Als uw gezondheidstoestand dat toelaat, kunt u in aanmerking komen voor een zogenaamde ‘autologe transfusie’. Dit houdt in dat u voorafgaande aan een operatie uw eigen bloed laat afnemen om dit tijdens de operatie weer terug te krijgen.

Als u uw eigen bloed toegediend wilt en kunt krijgen, moet u in de maand voorafgaand aan de operatie enkele malen naar de bloedbank komen om een halve liter bloed te laten afnemen. Tijdens de operatie of kort daarna kan het eigen bloed dan weer worden teruggeven.

Wanneer u tijdens de operatie veel bloed verliest, is het niet uitgesloten dat aan u ook bloed van een donor moet worden toegediend.

Om voor een autologe transfusie in aanmerking te kunnen komen, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Uw algemene lichamelijke conditie moet goed zijn, uw bloedvaten moeten geschikt zijn voor herhaalde bloedafnames en de testen op bloedoverdraagbare ziekten moeten over het algemeen negatief zijn. Tenslotte is het een vereiste dat de datum van de operatie ruim van tevoren vaststaat (zie de folder ‘Bloed geven voor u zelf’).

Het is ook mogelijk om in het ziekenhuis, vlak voor de operatie, of vlak vóór of tijdens de narcose bloed af te laten nemen. Het tekort aan bloed in uw lichaam wordt meteen aangevuld met een zoutoplossing. Na de operatie krijgt u het bloed weer toegediend. Deze methode kan alleen in het ziekenhuis worden toegepast bij operaties met doorgaans weinig bloedverlies. Tenslotte is het bij sommige operaties met veel bloedverlies, zoals bij vaatoperaties, mogelijk dat het bloed dat uit de wond komt met een speciaal apparaat wordt opgezogen. Hierna wordt het bloed weer aan de patiënt teruggegeven.

U kunt met uw behandelend arts of anesthesist overleggen of u in aanmerking komt voor één van deze methoden.

Kan ik een bloedtransfusie weigeren?

Ja, dat kunt u. Bedenkt u daarbij wel dat er niet altijd andere mogelijkheden zijn. Bloedtransfusies zijn vaak levensreddend. Sommige operaties of behandelingen kunnen zelfs niet worden uitgevoerd zonder bloedtransfusie. Een bloedtransfusie weigeren betekent soms een groter risico voor uw gezondheid dan een bloedtransfusie ontvangen.

Bespreekt u uw twijfels ten aanzien van de bloedtransfusie tijdig met de arts die u behandelt.

Bijwerkingen van de bloedtransfusie

Bij patiënten kan een allergische reactie optreden. Zo’n reactie is herkenbaar aan koorts, rillingen, galbulten, jeuk of een rode huid. Dit kan vaak eenvoudig met medicijnen worden behandeld.

Soms vormen patiënten na een bloedtransfusie afweerstoffen tegen andermans bloedcellen. Ook dit kan een reactie geven in de vorm van koorts. Deze reacties kunnen met medicijnen worden behandeld. Zo’n reactie kan ook worden veroorzaakt door afweerstoffen tegen bloedcellen van een bepaalde bloedgroep. In het laatste geval krijgt u een bloedgroepenkaartje met daarop de vermelding van dit gegeven. Dit moet u bij volgende bloedtransfusies altijd aan uw arts tonen.

Hoe veilig is een bloedtransfusie?

Om bloedtransfusies zo veilig mogelijk te maken, worden de volgende maatregelen genomen:

* alleen gezonde mensen kunnen bloeddonor worden;
* donors (de mensen die bloed afstaan voor transfusie) geven hun bloed vrijwillig en worden hiervoor niet betaald;
* Al het donorbloed wordt gecontroleerd op:
o twee soorten geelzuchtvirussen (hepatitis B en C);
o de geslachtsziekte syfilis;
o een virus dat een ruggemergziekte en leukemie kan veroorzaken (HTLV I/II);
o het humaan immuundeficiëntievirus (HIV) dat aids kan veroorzaken.


Wanneer blijkt dat het bloed mogelijk besmet is, wordt het vernietigd. Toch blijft er, ondanks alle voorzorgen, een zeer kleine kans bestaan op besmetting met een virus of ziektekiem door de bloedtransfusie (zo is de kans dat een eenheid bloed besmet is met HIV kleiner dan één op een miljoen).

Het kan zijn dat de bloeddonor nog maar kort geleden werd besmet. In zijn bloed kan de aanwezigheid van de ziekteverwekker dan nog niet worden aangetoond.Ook is het mogelijk dat de hoeveelheid virus in het bloed zo gering is, dat het niet kan worden aangetoond met een bloedtest. Tevens kan het gebeuren dat er virussen in het bloed zitten, die we nog niet kennen of waarop om andere reden niet getest wordt. Ook zijn er aandoeningen, zoals de variant ziekte van Creutzfeldt Jakob, waarvoor nog geen test bestaat en waarvan de kans op overdracht door bloedtransfusie in beginsel aanwezig is.

Het is belangrijk dat het bloed dat iemand toegediendkrijgt bij hem of haar ‘past’. Daarom nemen wij bloed bij u af om uw bloedgroep en Rhesusfactor vast te stellen. Sommige mensen hebben afweerstoffen tegen bloedcellenvan anderen in hun bloed. Deze stoffen kunnen aanwezig zijn na een zwangerschap of vroegere bloedtransfusie. Indien dat het geval is, kan het langer duren voordat er ‘passend’ bloed wordt gevonden.

Ten slotte zal de verpleegkundige vlak voordat u een bloedtransfusie krijgt nogmaals controleren of het bloed van de donor inderdaad voor u bestemd is.

Waarom een bloedtransfusie?

Ieder jaar ontvangen zo’n 250.000 Nederlanders een bloedtransfusie. Het betreft onder andere slachtoffers van ongevallen, patiënten die een (grote) operatie ondergaan en patiënten die voor kanker of (kwaadaardige) bloedziekten worden behandeld.

Bloedtransfusies worden door uw arts voorgeschreven als dat voor de behandeling noodzakelijk is. Uw arts doet dit echter niet zonder uw toestemming (tenzij er sprake is van een acute situatie). Om u te helpen tot een weloverwogen keuze te komen, zal uw arts u vooraf duidelijk inlichten over:

o de reden van de bloedtransfusie
o de risico’s die aan de transfusie verbonden zijn
o de risico’s die ontstaan wanneer u niet instemt met een bloedtransfusie
o eventuele alternatieven voor de bloedtransfusie
o of bij sommige ingrepen transfusie met uw eigen bloed mogelijk is.